Menu & Search

Was de ark van Noach een ronde boot?

Bob Becking en Meindert Dijkstra, in NTT 69/3, herfst 2015.


Krantenbericht als aanleiding
Op 1 januari 2010 verscheen op de website van de Britse kwaliteitskrant The Guardian een interessant cultuur-historisch artikel. Daarin werd melding gemaakt van de ontcijfering door de curator Irving Finkel van een 37 eeuwen oud kleitablet, met daarbij een bijzonder detail over de vorm van de boot in het verhaal over de grote vloed. Op dat tablet bleken verwijzingen te staan naar het oud-Babylonische verhaal over de zondvloed, het Atraḫasīs-epos. Op het kleitablet staat te lezen dat Atraḫasīs de opdracht ontvangt een boot te bouwen. Als instructie krijgt hij mee: ‘Teken de boot die je gaat bouwen, met een rond ontwerp. Laat haar lengte en breedte gelijk zijn!’ Het krantenbericht suggereert vervolgens, dat de ark van Noach naar Mesopotamisch model gebouwd ook wel een ronde boot zou zijn geweest.1 Dit krantenbericht bevat enkele veronderstellingen en claims – met name over de identiteit van de Mesopotamische boot en de ark uit Genesis 6–9. Inmiddels is het Ark-tablet officieel gepubliceerd.2 Dat is voor ons aanleiding om nog eens goed naar het materiaal te kijken en de gemaakte claims tegen het licht te houden.

De vorm, het materiaal en de maten van de Ark in Genesis 6–9
In het Bijbelboek Genesis wordt in de hoofdstukken 6–9 de geschiedenis van de zondvloed verteld. Naar algemeen wordt aangenomen is de huidige tekst het resultaat van het dooreenvlechten van een tweetal oorspronkelijk onafhankelijke tradities. In een oudere traditie, die vroeger aan J werd toegeschreven, is tegen het einde van de Babylonische Ballingschap een Priesterlijke tekst geweven. Deze P-tekst legt meer de nadruk op elementen van tijd en reinheid. Het is hier niet de plek om de bronnensplitsing van het zondvloedverhaal uitvoerig uit te tekenen.3 De plot van het zondvloedverhaal mag bekend zijn. Uit onvrede met de levenswijze van de mensheid besluit God de aarde met een vloed te verdelgen. Hij wijst echter een kleine groep mensen rondom Noach aan die met behulp van een ark voor continuïteit van het leven van mens en dier moet zorgen.
In Genesis 6:14–15 krijgt Noach de volgende instructie voor de bouw van de ark: Maak jij nu een ark van pijnboomhout.

Maak daar verschillende ruimten in, en bestrijk hem vanbinnen en vanbuiten met pek. Maak hem driehonderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog. (NBV)

Bij deze instructie vallen een aantal zaken op. Ten eerste: de boot wordt een tēbāh, ‘ark’, genoemd, daarover dadelijk meer. Ten tweede moet de ark van pijnboomhout worden vervaardigd, aldus de vertaling van de NBV. De BGT houdt het simpel op een ‘houten boot’. NBG en HSV spreken raadselachtig over een boot van ‘goferhout’. Het op verschillende wijze vertaalde Hebreeuwse woord gopher komt in het Oude Testament alleen voor in Genesis 6:14. De precieze houtsoort is moeilijk vast te stellen. Het hout moet aan beide zijden met teer worden besmeerd. In de ark moeten aparte ruimtes worden gemaakt. Het Hebreeuwse woord voor deze ruimtes, qēn, betekent eigenlijk ‘nest’. Aangezien naast vogels ook landdieren in de ark werden gebracht, zal wel aan ‘nestachtige ruimtes’, ‘lagers’ of ‘dierenhokken’ moeten worden gedacht.4
Ten vierde worden de maten gegeven. De oud-Israëlitische el, ’ammāh, was circa 45 cm lang.5 Volgens het Boek Genesis had de ark het model van een zeer langwerpige schoenendoos. Het Boek Genesis bevat geen bericht over het bouwen van de ark. Genesis 6:22 vermeldt dat Noach alles deed ‘zoals God hem had opgedragen’.

De ark van Noach en het mandje van Mozes
Er is reeds vaak gewezen op een overeenkomst tussen de ark van Noach en het mandje van Mozes. De moeder van Mozes wil haar kind beschermen tegen de gruweldaden van de Egyptenaren. Zij bedenkt een plan en: nam een mand van papyrus, bestreek die met pek en teer, legde het kind erin en zette de mand tussen het riet langs de oever van de Nijl. (Exod. 2:3; NBV) Het woord voor ‘mand’ is hetzelfde als het woord voor ‘ark’ in Genesis: tēbāh. Het gaat ons in dit verband niet om een analyse van alle mogelijke heilshistorische of typologische implicaties van deze overeenkomst. Ons oog is op de realia gericht. Daarbij valt een aantal verschillen tussen Genesis 6 en Exodus 2 op. In Exodus 2 is de tēbāh gemaakt van het riet van de papyrusplant. Deze plant groeide in de oudheid zowel aan de oevers van de Nijl als aan de oevers van de Eufraat. Om de tēbāh waterdicht te maken werd hij met ḥēmār, ‘asfalt’, en zèphèt, ‘teer’, besmeerd. De maten en de vorm van het mandje worden niet gegeven. Het feit dat de mand tussen het riet aan de oever kon worden geplaatst kan een indicatie van een relatief geringe omvang zijn. Het is opmerkelijk, dat zowel Noach als Mozes gered werden van een zekere ondergang doordat zij scheep gingen in een tēbāh. Op de cultuur-historische achtergrond van deze overeenkomst zullen we dadelijk terugkomen. Eerst willen we een blik werpen op andere oud-oosterse tradities over de zondvloed.

Oud oosterse zondvloedtradities
Er is waarschijnlijk geen verhaal uit het oude Nabije Oosten dat in zoveel verschillende varianten bekend is als het verhaal van de zondvloed en dus ook het verhaal van de ark. Dat blijkt ook uit de veelheid van namen die de held van de zondvloed draagt. In de standaardversie van het Gilgamesh-epos heette hij Utnapistim. Deze naam, ‘hij die het leven vond’, is in zekere zin een vertaling van de naam van de held in de oudste Sumerische zondvloedverhalen: Ziu-sudra (deze oude Sumerische naam leeft nog voort in de Griekse tekst van Berossus: Xisuthros). In Babylonië stond hij bekend als Atraḫasīs. De Hettitische en Hoerritische teksten uit Klein-Azië kennen Ullus/Ulluya als de held van de zondvloed. In de joods-christelijke geschriften is hij bekend geworden als Noë, Noach en in de Koran als Nuch. In de meeste van die verhalen speelt het gebeuren van de oer- of zondvloed6 een prominente rol, hoewel niet in alle. Hoe dat precies zit, is nog niet afdoende opgehelderd. In een aantal gevallen lijkt het ontbreken van het zondvloedverhaal archeologisch toeval, zoals in een Oudbabylonische versie van Gilgamesh.7 Deze tekst is afgebroken op het moment dat de veerman van Utnapistim aan Gilgamesh opdraagt nieuwe roeispanen te vervaardigen voor zijn veerboot, ter compensatie van de verloren gegane peddels of vaarbomen. Niet in alle thans bekende versies van Gilgamesh wordt over de bouw van de ark gesproken.

Verder lezen? Download dit artikel voor € 3,25 in de webshop van Boekencentrum

 

Noten

  1. Kennedy, ‘Relic reveals Noah’s ark was circular’, The Guardian Online, 01-01-2010, http://www.theguardian.com/uk/2010/jan/01/noahs-ark-was-circular. Het bericht werd vervolgens door kranten wereldwijd overgenomen.
  2. Finkel, The Ark before Noah: Decoding the Story of the Flood, London 2014, 357–368. 166
  3. Zie daarvoor naast de recente commentaren op Genesis, o.a. D.M. Carr, Reading the fractures of Genesis: Historical and literary approaches, Louisville 1996.
  4. Terzijde wijzen we op de vertaling van Gen. 6:14 in de NEB: ‘Make yourself an ark with ribs of cypress; cover it with reeds and coat it inside and out with pitch’. Deze vertaling berust op een lezing van het Hebr. qinnîm, ‘nesten; ruimtes’, als *qānîm, ‘riet’; zoals voorgesteld door o.a. G.R. Driver, ‘Problems and Solutions’, Vetus Testamentum 4 (1954), 243. DE ARK VAN NOACH 167 www.ntt-online.nl NTT 69/3, 2015, 165–180
  5. Zie o.a. P.J. King, L.E. Stager, Life in Biblical Israel, Knoxville 2001, 200.

 

Type your search keyword, and press enter to search