Menu & Search

NTT 69/3 – herfst 2015

Bestel deze editie

 

Inhoud

  1. Bob Becking en Meindert Dijkstra: Was de ark van Noach een ronde boot?
  2. Pieter W. van der Horst: Jews and Christians in Conflict in Ancient Himyar (Yemen)
  3. Tom-Eric Krijger: Was Abraham Kuyper een fundamentalist?
  4. Erik Meganck: In Godsnaam: Een filosofisch parcours
  5. Roshnee Ossewaarde-Lowtoo: Cruciale Teksten – Charles Taylor, Sources of the Self: The Making of the Modern Identity
  6. Boeken

 

Summaries

Bob Becking en Meindert Dijkstra:
WAS NOAH’S ARK A CIRCULAR BOAT?
In 2010 the British newspaper The Guardian reported on the find and decipherment by the curator Irving Finkel of an Old-Babylonian clay tablet that referred to the story of the flood. This tablet even mentioned the name of the Babylonian flood-hero Atraḫasīs who was ordered to build a circular boat to escape the forthcoming disaster. Claims were made in the press that the Ark of Noah would have been, by implication, a circular boat too. In this article the authors investigate the Ancient Near Eastern traditions of a great flood and the building of a rescuing-vessel concluding that the Biblical stories, although adopting many features from the Mesopotamian traditions, cannot be read as presenting a circular boat. In the Hebrew appropriation, the noun tēbāh is used, containing an intended intertextual allusion to the story of Moses as a child in Exodus.

Was de ark van Noach een ronde boot?
In 2010 meldde de Britse krant The Guardian de vondst en de ontcijfering – door de curator Irving Finkel – van een Oud-Babylonisch kleitablet dat verwees naar het verhaal van de zondvloed. Het tablet noemde zelfs de naam van de Babylonische held van de grote vloed: Atrahasis die werd bevolen om een boot te bouwen om aan de komende ramp te ontsnappen. In het nu ontcijferde Ark-Tablet is sprake van een ronde boot. In de pers werd gesuggereerd dat de Ark van Noach eveneens een cirkelvormige boot zou zijn. In dit artikel onderzoeken de auteurs de tradities uit het Oude Nabije Oosten over een grote overstroming en de bouw van een redding-schip. Daarbij wordt geconcludeerd dat de Bijbelse verhalen, hoewel vol van elementen uit de Mesopotamische tradities, niet gelezen kunnen worden als het verslag van de bouw van een ronde boot. In de Hebreeuwse toe-eigening van de oude tradities, wordt het zelfstandig naamwoord tēbāh gebruikt ter aanduiding van de ark. Dat woord heeft een duidelijke intertekstuele verwijzing naar het geboorteverhaal van Mozes Exodus.

Pieter W. van der Horst:
JODEN EN CHRISTENEN IN CONFLICT IN HET ANTIEKE HIMYAR (JEMEN)
In de jaren twintig van de zesde eeuw was er gedurende enkele jaren een joods koninkrijk in Himyar (het antieke Jemen). De joodse koning, Joesoef, verklaarde de oorlog aan de christenen van de stad Najrân die gesteund werden door het christelijke koninkrijk van Ethiopië dat al lang op voet van oorlog met Himyar stond. In dit artikel worden de vier belangrijkste bronnen voor onze kennis van deze episode besproken alsmede de kwesties die speelden tussen de joden en christenen van Himyar.

Jews and Christians in Ancient Himyar (Yemen)
In the twenties of the sixth century CE there was a short-lived Jewish kingdom in Himyar. The Jewish king Yusuf declared war on the Christians of the city of Najrân who were supported by the Christian kingdom of Ethiopia, the latter being a long-standing foe of Himyar. The four most important sources for our knowledge of this episode are discussed in this article, as well as the major issues between the Himyarite Jews and Christians.

Tom-Eric Krijger:
CAN ABRAHAM KUYPER BE CALLED A FUNDAMENTALIST? NEO-CALVINISM COMPARED TO FUNDAMENTALISM
This article aims to assess whether Dutch theologian Abraham Kuyper (1837–1920) and his adaptation of Calvinism into a systematic theological, political and social ideology, known as ‘neo-Calvinism’, can be rightfully associated with ‘fundamentalism’. First, the article outlines the constitutive elements of neo-Calvinism: the concepts of antithesis, presumptive regeneration, sphere sovereignty, common grace, ecclesial multiformity, and organic Scriptural inspiration, the differentiation between the church as organism and as institute, the erasure of a theocratic fragment in the Belgic Confession, and the idea that Calvinism is the ‘core element’ of the Dutch national character. Second, it applies recent literature on fundamentalism to neo- Calvinism and the development of the neo-Calvinist movement. Although, as this article concludes, the neo-Calvinist movement did have some ‘fundamentalist’ features, neo-Calvinism in itself did not inevitably lead to what Jan Buskes has called ‘the triumph of fundamentalism’ at the synod of the Reformed Churches in Assen in 1926.

Was Abraham Kuyper een fundamentalist? Het neocalvinisme langs de fundamentalistische meetlat
Abraham Kuyper (1837-1920) en de door hem uitgebouwde neocalvinistische levens- en wereldbeschouwing, tot ver in de twintigste eeuw uitgedragen door de Gereformeerde Kerken en de organisaties in de gereformeerde zuil, zijn in de historiografie weleens met ‘fundamentalisme’ in verband gebracht. Zo is de gereformeerde synode van Assen in 1926, waar werd gedecreteerd dat het bestaan van de paradijsbomen en het spreken van de slang in het Bijbelboek Genesis voor ‘zintuiglijk waarneembare werkelijkheden’ te houden zijn, vergeleken met het ‘Scopes Trial’ van 1925, een rechtszaak in Tennessee die zich onder druk van een als ‘fundamentalisme’ aangeduide stroming in het Amerikaanse orthodox-protestantisme boog over de gerechtvaardigdheid van onderwijs in de evolutietheorie. Jan Buskes heeft deze vergelijking expliciet gemaakt toen hij de afloop van de synode van Assen als ‘triumf van het fundamentalisme’ aanduidde. Is een dergelijke associatie tussen neocalvinisme en fundamentalisme legitiem?
Om die vraag te beantwoorden, is in dit artikel gebruikgemaakt van twee studies waarin dé experts op het gebied van fundamentalismeonderzoek van de laatste jaren criteria geven aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of het gerechtvaardigd is een godsdienstige richting als ‘fundamentalistisch’ te bestempelen: het in 2003 verschenen Strong Religion van Gabriel A. Almond, R. Scott Appleby en Emmanuel Sivan (hierna: Almond), en het in 2009 gepubliceerde Religious Fundamentalism van Peter Herriot. Almond en Herriot gebruiken het begrip ‘fundamentalisme’ niet slechts in enge zin, wat wil zeggen dat zij de term niet exclusief reserveren voor díe stroming in het Amerikaanse orthodox-protestantisme die zich sinds het begin van de twintigste eeuw als zodanig afficheert. Aan de andere kant problematiseren zij de ‘ruime zin’ waarin de term tegenwoordig wordt gebruikt, als verzamelterm voor alle vormen van fanatiek beleden orthodoxie.
Almond en Herriot stellen dat een godsdienstige richting met recht het predicaat ‘fundamentalistisch’ verdient wanneer zij een militant vijandige hou­ding aanneemt tegenover de seculiere wereld (reactivity), selectief omgaat met de ei­gen religieuze traditie en de moderne wereld die haar aanhangers zeggen te verwerpen (sel­ec­­tivity), een denkklimaat in stand houdt waarin uitsluitend ruimte is voor absolute tegenstellingen tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ (moral Manichaeanism bij Almond, dualism bij Herriot), een als heilig beschouwd boek en eventueel de positie van een als Godsgezant beschouwde leider boven alle kritiek verheft (absolutism bij Almond, authority bij Herriot), en wordt gedreven door het geloof dat de eigen groep als enige bij­draagt aan de volvoering van Gods koninkrijk op aarde (millennialism).
Almond onderscheidt verder vier verschillende rollen die een fun­da­men­ta­lis­tische beweging in haar houding tegenover de haar omringende wereld kan aan­nemen: de rol van de world conqueror, die de wereld op gewelddadige wij­ze naar haar hand wil zetten; de world transformer, die de samenleving over­eenkomstig haar normen wil inrichten door individuen van de juistheid van haar boodschap te overreden; de world creator, die een eigen biotoop paral­lel aan de bredere samenleving ontwikkelt; en de world renouncer, die zich volledig van maatschappelijke interactie onthoudt.
Door de definities die Almond en Herriot van ‘fundamentalisme’ geven, toe te passen op de bestanddelen van het neocalvinisme en de vroegste ontwikkelingsfase van de neocalvinistische of (neo)gereformeerde geloofsgemeenschap, legt dit artikel Abraham Kuyper en de eerste generatie van zijn geestelijke nazaten langs de fundamentalistische meetlat. Het toont daarmee evenzeer de beperkingen van theorievorming over ‘fundamentalisme’ aan.

Erik Meganck:
IN GOD’S NAME: A PHILOSOPHICAL PARCOURS
Traditional philosophy seems to aim at an enclosure of the world in a final and full explanation, whereas differential thought leaves the world open without receiving its meaning from another world. World as the event of opening that is also meaning could be understood as a religious notion that is also a-theist, not in that it denies God’s existence, but in that it goes against all theisms. ‘God’, then, could become the name of the event of opening, the only name without referent in the world, and this may be the philosophical meaning of monotheism.

In Godsnaam
De traditionele filosofie leek de wereld te willen sluiten in een definitieve totaaluitleg, terwijl het differentiedenken de wereld openlaat, zonder daarom haar betekenis uit een andere wereld te halen. De wereld als opening is een religieuze notie die tevens a-theïstisch is, niet in de zin van een ontkenning van Gods bestaan, maar ingaand tegen elk theïsme. God kan dan de naam voor het gebeuren van de opening worden, de enige naam zonder referent in de wereld, hetgeen de filosofische betekenis van monotheïsme kan zijn.

Roshnee Ossewaarde-Lowtoo:
CHARLES TAYLOR, SOURCES OF THE SELF: THE MAKING OF THE MODERN IDENTITY
Sources of the Self provides an alternative, cultural approach to the naturalist or materialist conception of modernity and of the modern self. Taylor thereby breaks an unhealthy silence on that which moves moderns to be modern. He fears that modern westerners are stifling because they have suppressed the sources of their selves and of their modern ideals. His intellectual endeavour therefore consists mainly in retrieving and articulating repressed constitutive goods. God’s love or grace, nature and human dignity are the sources that he recovers.

Charles Taylor, Sources of the Self
Sources of the Self
verwoordt een rijke, culturele visie op de moderne westerling en de moderne beschaving, waarmee Taylor een ongezonde stilte over datgene wat de moderne mens beweegt doorbreekt. Zijn vertrekpunt is dat moderne westerlingen aan het verstikken zijn omdat zij de morele en/of spirituele bronnen van persoonlijke volheid hebben verbannen. Een groot deel van Taylors intellectuele onderneming bestaat uit het herontdekken en articuleren van de onderdrukte bronnen opdat deze weer levend worden. De bronnen die hij opgraaft zijn Gods liefde of genade, de natuur en menselijke waardigheid.

 

Type your search keyword, and press enter to search