Menu & Search

Moeten we tegen natuurlijke theologie zijn?

René Woudenberg, in: NTT 69/4, winter 2015.

In de Nederlandse context is door christentheologen maar ook door christenfilosofen voornamelijk negatief gesproken over ‘de God van de filosofen’. Tegenover ‘de God van de filosofen’ plaatsten en plaatsen zij doorgaans ‘de God van Abraham, Isaac en Jacob’, of ‘de God van Pascal’ (immers, het was Pascal die in zijn Mémorial deze tegenstelling proclameerde), of ook: ‘de God van de bijbel’.

Alvorens verder te gaan met de introductie van het onderwerp van dit artikel, wil ik reeds hier opmerken dat ik deze tegenstelling een ongelukkige vind. Want de suggestie die ervan uit kan gaan is dat er twee wezens zijn, twee goden, en dat de een de referent is van ‘de God van de filosofen’ en de ander de referent van ‘de God van Pascal’ en dat we voor de keuze staan om te leven met dan wel de ene, dan wel de andere God. Maar dit is misleidend. Er zijn geen twee goden. Wanneer we, onder ideale condities, een inventarisatie zouden willen maken van al datgene wat bestaat (dit is een van de taken van de ontologie), dan is het resultaat van de inventarisatie een lijst waarop is aangeven welke soorten van dingen in welke hoeveelheden bestaan. Op die ideale inventaris lijst valt o.a. te lezen: x-biljard elektronen, y-miljard H atomen, z-miljard menselijke personen, waarbij x, y en z natuurlijke getallen zijn. Er valt ook op te lezen: 1 God. Wanneer we aannemen dat dit inderdaad op de ideale inventarislijst staat (en op de epistemische vraag hoe we weten kunnen dat dit zo is, kom ik zodadelijk terug—het is de hoofdzaak van dit artikel) dan is het duidelijk dat er geen sprake kan zijn van een keuze die we zouden moeten maken tussen twee numeriek diverse goden; er is geen keuze tussen leven met de referent van ‘de God van de filosofen’ en de referent van ‘de God van Pascal’. Maar als er geen sprake kan zijn van een keuze tussen twee verschillende goden, waarover gaat de discussie aangaande ‘de God van de filosofen versus de God van Pascal’ dan wel? Er is zijn mijns inziens twee goede antwoorden op deze vraag:

[A] De discussie gaat over de vraag welke eigenschappen God heeft: zijn dat de eigenschappen die ‘de filosofen’ aan God toeschrijven, of zijn dat de eigenschappen die Pascal aan God toeschrijft? Ik noem dit de Metafysische Vraag, en de discussie erover de Metafysische Discussie. Deze discussie is een feitelijke discussie: ze gaat over feiten—feiten betreffende de goddelijke eigenschappen.

[B] De discussie gaat over de vraag hoe, d.w.z. op welke epistemische grondslag, de discussie over de Metafysische Vraag gevoerd moet worden. Anders gezegd: de discussie gaat over de vraag welke de geëigende cognitieve middelen zijn om de Metafysische Discussie te voeren. Nog weer anders gezegd: de discussie gaat over de vraag welke cognitieve vermogens we wel en welke we niet zouden mogen aanspreken in de Metafysische Discussie. Ik noem dit de Epistemologische Discussie. Deze discussie is een normatieve: ze gaat over wat epistemisch toelaatbaar of wenselijk is.

(De uitdrukkingen ‘de Metafysische Discussie’ en ‘de Epistemologische Discussie’ hebben in de context van dit paper dus een specifieke betekenis. In andere contexten betekenen ze meestal iets anders.)

De Pascaliaanse oppositie (de oppositie van ‘de God van de filosofen’ versus ‘de God van Abraham, Isaac en Jacob’) is onder theologen onder meer aan te treffen bij Berkouwer in zijn dogmatische studie over De Algemene Openbaring. Daarin keert hij zich, mede geïnspireerd door de antimetafysische theologie van Albrecht Ritschl, frontaal tegen de natuurlijke theologie, opgevat als die vorm van theoretische activiteit die als doel heeft om de stelling dat God bestaat te bewijzen, dan wel aannemelijk te maken. Hij keert zich, overigens zonder ooit op de minutiae van de redeneringen (zoals de geldigheid van de redeneringen, of de waarheid van de premissen) in te gaan, tegen kosmologische, ontologische, teleologische en andere argumenten voor het bestaan van God. Hij doet dat op basis van een zeer uitgesproken stellingname in de Epistemologische Discussie, waarop ik in een volgende sectie terugkom.

In Gereformeerde kring heeft Berkouwer op dit punt grote invloed gehad. Veel Nederlandse theologen van Hervormde signatuur hebben Karl Barth gevolgd in diens afwijzing van de natuurlijke theologie (die hij nota bene demonisch achtte), zoals K.H. Miskotte en Hendrikus Berkhof. Barths verwerping van de natuurlijke theologie hing eveneens samen met een zeer uitgesproken stellingname in de Epistemologische Discussie, waarop ik eveneens terugkom in de volgende sectie. Tenzij ik me zeer vergis, is de toestand op dit moment zo dat nog steeds zeer weinig Nederlandse protestantse theologen (en daartoe reken ik ook de toch altijd nog imposante schare van predikanten) zich bekommeren om, of interesseren voor argumenten voor het bestaan van God, ze hechten er geen waarde aan en ze gebruiken ze dus ook niet. 1 De keerzijde hiervan is dat ze evenmin belangstelling hebben voor argumenten tegen het bestaan van God. Van christelijk theologische zijde is de reactie op atheïstische argumenten er een van onverschilligheid – ze worden irrelevant geacht.

Ik vat dit alles zo op: Nederlandse theologen die zich keren zich tegen de natuurlijke theologie, keren zich tegen argumenten voor het bestaan van God, en dus tegen ‘de God van de filosofen’.

Onder christenfilosofen is het beeld al niet veel anders. De filosofen die staan in de traditie van de Wijsbegeerte der Wetsidee, D. Th. Vollenhoven, H. Dooyeweerd, K.J. Popma, S.U. Zuidema, H.G. Geertsema, H. Hart, J. Klapwijk hebben nooit enig argument voor het bestaan van God gegeven; zij staan uitermate kritisch tegenover de natuurlijke theologie, nog steeds opgevat als die vorm van theoretische activiteit die probeert het bestaan van God argumentatief te bewijzen dan wel aannemelijk te maken. Ook zij worden hierbij gemotiveerd door een stellingname in de Epistemologische Discussie, waarop ik eveneens terugkom.

Andere christenfilosofen hebben zich om andere redenen tegen natuurlijke theologie (en daarmee tegen de ‘God van de filosofen’) gekeerd.2 Theo de Boer bijvoorbeeld in zijn veelgelezen De God van de filosofen en de God van Pascal, wijst de natuurlijke theologie af wegens een stellingname in de Metafysische Discussie. Hij stelt dat ‘de filosofen’ (en hij denkt hier vooral aan Aristoteles, Leibniz en Spinoza) eigenschappen aan God hebben toegeschreven die God niet heeft (althans, wanneer we de bijbel, gelezen in de geest van Levinas, mogen geloven).

Het bovenstaande is de inleiding voor de rest van dit artikel, waarin ik eerst aangeef hoe ‘de filosofen’ in de Metafysische Discussie staan en hebben gestaan, d.w.z. ik geef aan welke eigenschappen ‘de filosofen’ aan God hebben toegeschreven. Vervolgens ga ik in op de Epistemologische Discussie, het hoofdbestanddeel van dit artikel.

Verder lezen? Download dit artikel voor € 3,25 in de webshop van Boekencentrum

Noten:

  1. Ze zijn bijna op de vingers van een hand te tellen: A. Vos, B. Loonstra, 2x G. van den Brink (namelijk
    Gijsbert en Gert), W. van Vlastuin en A. Goudriaan.
  2. Een uitzondering hier zijn E. Rutten, J. de Ridder, En dus bestaat God: De beste argumenten, Amsterdam
    2015, en Stefan Paas, Rik Peels, God bewijzen, argumenten voor en tegen geloven, Amsterdam 2013.
Type your search keyword, and press enter to search